|













|
|
Bezoekadres:
Hagestraat
8-10
8181EB Heerde
Tel:0578-691609
GMDESIGN |
|
|
Hieronder vind u een
lijstje met problemen en tips die handig zijn voor het
fietsen. Deze informatie is geschreven door (medisch)
deskundigen.
Inleiding
In de jaren dertig werd de eerste ligfiets gebruikt bij een
succesvolle poging om het werelduurrecord te verbeteren. Dit
record werd echter door de internationale wielerunie niet
geaccepteerd, waardoor een verdere ontwikkeling van de ligfiets
stagneerde. In 1975 werd een wedstrijd uitgeschreven voor
zogenaamde Human Powered Vehicles. Alle technische foefjes
werden toegestaan. De belangstelling voor ligfietsen was weer
gewekt en gaat tot heden ten dage door.
Begin jaren tachtig kwam vanuit de Verenigde Staten de All
Terrain Bike (ATB) oftewel mountainbike in opkomst. Deze fietsen
waren in eerste instantie als afdalingsfietsen bedoeld, maar
werden al snel, zoals de naam aangeeft, op verschillende soorten
ondergrond gebruikt. De ATB wordt in de winter door veel
toerfietsers gebruikt. De wielersport kent een speciale klasse
voor de mountainbike. De ATB heeft ook een duidelijk modieus
aspect en heeft daardoor de algemene belangstelling voor de
fiets aangewakkerd.
Als een kruising tussen de racefiets en de ATB wordt de hybride
gepresenteerd, die zowel geschikt is voor dagelijks als voor
recreatief gebruik. Een randonneur is een racefiets met een
langere bovenbuis en bagagedragers, bedoeld als vakantiefiets.
Gebruik van de fiets
Bij het toerfietsen staat het uitrijden van zogenaamde
toertochten voorop. De prestatie wordt bepaald door de verreden
tochten en het totaal aantal kilometers in een jaar. De snelheid
is van ondergeschikt belang, de gemiddelde snelheid bedraagt 25
km per uur. Het recreatieve aspect staat op de voorgrond,
waarbij de moeilijkheidsgraad wordt bepaald door de aard en de
lengte van het parcours.
De lengte van een toertocht varieert tussen 80 en 300 km. Er
zijn ook meerdaagse tochten. Het toerfietsen strekt zich uit tot
tochten als Parijs-Brest-Parijs of de 100-colstocht, waarbij
4000 km in achttien dagen wordt gereden.
De meeste toertochten worden door de Nederlandse Toerfietsunie (NTFU)
georganiseerd. Professionele wielerkoersen, zoals
Luik-Bastenaken-Luik, worden ook als toerklassieker gereden.
Indien men een aantal geselecteerde tochten uitrijdt, kan het
zogenaamde klimbrevet bemachtigd worden. De term cyclosportieven
wordt gebruikt om prestatietochten aan te duiden waarbij de
snelheid toch enigszins een rol speelt. Afhankelijk van de
gereden snelheid bij de betreffende leeftijd kan een gouden,
zilveren of bronzen medaille worden gewonnen.
Afstelling van de fiets
Om prettig en zonder ongemakken te fietsen is een goede
afstelling van de fiets van wezenlijk belang. Echter, het
bestaan van een groot arsenaal aan onderling verschillende
richtlijnen, al dan niet vertaald in computerprogramma's, laat
zien dat 'de gouden regel' niet bestaat. Over de basisregels
bestaat echter geen misverstand. Luisteren naar het eigen
lichaam is daarna het beste advies.
Zithoogte en zitlengte
De belangrijkste aspecten zijn de zithoogte en de zitlengte. De
fietsmaat wordt aangegeven met de framehoogte. Bij het naar
beneden duwen van de pedaal moet de knie niet geheel worden
gestrekt. De juiste framehoogte wordt bepaald door de
binnenbeenlengte te meten. Een goed uitgangspunt voor de
framehoogte is 66% van de binnenbeenlengte. De uiteindelijke
zithoogte wordt vervolgens door de zadel hoogte bepaald. De
zithoogte, dus de afstand tussen het hart van het bracket en de
bovenkant van het zadel, behoort voor toerfietsers 107 % van de
binnenbeenlengte te zijn.
De zitlengte wordt door de lengte van de zitbuis en de voorbouw
bepaald. Van oudsher werd hiervoor de lengte van de onderarm
gebruikt; met de elleboog tegen het zadel moeten de vingertoppen
net tegen het stuur komen. Deze regel is echter te star. Een
optimale zitlengte beoogt een ontspannen houding van de rug en
de nek, hetgeen een primair subjectieve interpretatie inhoudt.
Vrouwen geven vaak de voorkeur aan een kortere zitlengte vanwege
irritatie in de schaamstreek. Een kortere zitlengte garandeert
zitten op de zitbeenknobbels, maar betekent ook een
achteroverkanteling van het bekken en een toegenomen kans op
lage-rugklachten.
Afstelling van de ATB
De juiste afstelling van een ATB is onduidelijk. De vereiste
grotere afstand naar de grond zorgt voor een hogere positie van
het bracket (pedaalas). De zitbuis is schuin gemonteerd,
waardoor de framehoogte geen bruikbare maat is. De framemaat
wordt in ruimere inches uitgedrukt. Een fietser fietst
voornamelijk met de handen op de remgrepen. De feitelijke
zitlengte wordt hierdoor de zitbuis en tweemaal de
voorbouwlengte.
Een identieke positie op de ATB met een recht stuur zou een zeer
lange voorbouw betekenen met onwenselijk grote
bewegingsuitslagen. Dit alles maakt een goed advies lastig.
Gelukkig hebben ATB's zo'n lange zadelpen dat de verstelbaarheid
enorm groot is en de gok van de framemaat redelijk kan
uitpakken. In het algemeen is de zit op de ATB korter.
Zogenaamde 'bar ends' - verticale, gerichte stuurverlengers
lossen het zitlengteprobleem op.
ATB-fietsen onderscheiden zich verder veelal door een
veringssysteem dat op verschillende manieren, namelijk in de
voorvork of in het frame, verwerkt kan zijn.
Afstelling van de
ligfiets
Bij een ligfiets is sprake van een zittende houding. De fietser
zit in een kuipje met het stuur voor zich of laag naast de
heupen. De ligfiets wordt via het, veelal kleinere, voorwiel
aangedreven. Dit gaat ten koste van de stabiliteit, zeker bij
lagere snelheden. Een zekere gewenningstijd aan de gewijzigde
positie en de afgenomen stabiliteit is een consequentie. Het
duurt even voordat je ontspannen kunt rijden. Ervaren
ligfietsers roemen echter het betere comfort. Veelal is een
achtervering gemonteerd.
Materiaal
Zadel
Er bestaan vele soorten zadels. Een goed zadel is niet te zacht,
waardoor het te veel aan de voorzijde drukt. Leren zadels zetten
zich na een inrijperiode naar de vorm van het bekken. Bij
vrouwen staan de zitbeenknobbels verder uit elkaar en is de boog
van het schaambeen minder hoog. Vrouwenzadels zijn daarom
breder. Goede zadels ontzien de schaamstreek door gebruik te
maken van een middengleuf, een uitsparing in de harde onderlaag
of een korter zadel.
Kleding
Door middel van kleding moet de fietser zich aan verschillende
weersomstandigheden kunnen aanpassen. Allerlei nieuwe materialen
maken dit gemakkelijker.
Regenkleding kan tegenwoordig van waterdicht, ventilerend
materiaal (Goretex) gemaakt worden. Een jack moet lang genoeg
zijn om ook de onderrug voldoende te bedekken. Bij koude is het
belangrijk om verschillende lagen te dragen. Direct op het
lichaam wordt een polyester hemd gedragen. Kunststof
thermostoffen, zoals fleece, wordt in shirts met verschillende
dikten verwerkt. Om wind (en vocht) voldoende te weren, wordt
daarover een dun jack gedragen.
Een goede fietsbroek met een grote, egale en soepele zeem werkt
schokdempend en voorkomt dat overmatige wrijving optreedt. Het
spreekt vanzelf dat een fietsbroek altijd schoon en droog dient
te zijn. Moderne kunststofzemen zijn eenvoudig te reinigen en in
een mum van tijd droog. Gebruik veel water en weinig zeep.
Sommige fietsers ontwikkelen een overgevoeligheid of allergie
voor zeepresten.
Helm
De belangrijkste eisen aan een fietshelm betreffen de
veiligheidsnorm, de pasvorm en de mate van ventilatie. De
zogenaamde 'thin shell' helm met een dunne, plastic laag over
een dikke, schokabsorberende foam verdient de voorkeur. De helm
moet het hoofd goed omsluiten en zeker niet te groot zijn, zodat
hij naar achteren kan verschuiven. Ten behoeve van het
draagcomfort, zeker in de zomer, moeten voldoende
ventilatieopeningen aangebracht zijn.
Schoenen
Een voldoende harde zool is een belangrijke voorwaarde aan
fietsschoenen. Door middel van zogenaamde 'toe clips' wordt de
fietsschoen met een riempje aan de pedaal verbonden.
Schoenplaatjes onder de zool voorkomen het wegglijden van de
voet uit de pedaal. In toenemende mate wordt echter
gebruikgemaakt van clipless-pedalen; het schoen plaatje klikt in
een vergrendelingsmechanisme op de pedaal vast. Ontgrendelen
gebeurt door de hak naar buiten te draaien. De hoeveelheid
kracht die daarvoor nodig is, is af te stellen. De eerste
generatie clipless-pedalen liet weinig speling toe, waardoor
veel overbelastingsblessures ontstonden. Doordat in sommige
schoenen de schoenplaatjes in de kunststof zool verzonken
liggen, zijn de schoenen ook geschikt om mee te lopen en
daardoor toegankelijker voor een groter fietspubliek.
Zonnebril
Bij een lange, zomerse fietstocht beschermt een goede zonnebril
tegen vermoeidheidsklachten van de ogen en hoofdpijn. Een goede
zonnebril biedt voldoende zicht (ook in de specifieke positie op
de fiets), beschadigt niet en slaat niet aan bij transpiratie.
Belastingsanalyse
Spieren leveren arbeid door te verkorten. De spieren aan de
voorzijde van het bovenbeen (m. quadriceps) zijn de sterkste
strekkers van de knie. De spieren aan de achterzijde van het
bovenbeen (hamstrings) en de oppervlakkige kuitspieren zijn de
belangrijkste buigers van de knie. Opvallend is dat de
quadriceps rond 120 graden ophoudt, terwijl de hamstrings en de
kuitspieren bij 45 graden actief worden. Dit gebeurt om te
voorkomen dat de pedalen te sterk naar voren worden geduwd en om
het pedaal in de vereiste cirkelbeweging rond te krijgen.
Door de schoenen aan de pedalen te fixeren, kan er meer aan de
pedalen getrokken worden. Hierdoor leveren de hamstrings en de
voorste scheenbeenspier een bijdrage aan de voortstuwing en is
sprake van een gelijkmatiger trapbeweging.
De spieren moeten de luchtwrijving, de rolwrijving en (in de
bergen) de zwaartekracht overwinnen om ervoor te zorgen dat we
vooruitkomen. De rolwrijving en de zwaartekracht nemen recht
evenredig met de snelheid toe. De luchtwrijving neemt sterker
toe.
Een van de belangrijkste factoren van de luchtwrijving is het
zogenaamde frontale oppervlak: de oppervlakte van de fietser
zoals die van voren wordt gezien. Er zijn allerlei aanpassingen
aan de fiets mogelijk om de fietser een horizontalere houding te
geven en daarmee het frontale oppervlak te verkleinen: een
kleiner voorwiel, een groter achterwiel, een zogenaamd lig- of
triatlonstuur. Het is essentieel om te beseffen dat deze
aanpassingen alleen bij hoge snelheid effect zuIlen hebben.
Zaken als aerodynamica zijn zodoende belangrijker voor
wielrenners dan voor toerfietsers.
Ook de ligfiets is eigenlijk een poging om de luchtweerstand te
verkleinen. Heeft een racefiets met fietser een frontaal
oppervlak van ongeveer 0,5 m2, voor een ligfiets geldt 0,25 m2.
Het vermogen dat door de fietser op beide fietsen geleverd kan
worden is vergelijkbaar. De lagere luchtweerstand heeft wel een
hogere snelheid tot gevolg. Het werelduurrecord staat op 75
km/uur; zo'n 20 km/uur meer dan met een racefiets. Er zijn
maximale snelheden tot boven de 100 km/uur gemeten.
Fietsers trappen vaker te zwaar dan te licht. Voor
prestatiegerichte wielrenners zou 90 toeren per minuut optimaal
zijn, voor andere fietsers wordt een richtlijn van 70 tot 102
toeren per minuut gegeven. Het ideale traptempo moet vertaald
worden in het juiste verzet bij een bepaalde snelheid.
Training
Toerfietsen is bij uitstek een duursport waarbij de snelheid
niet de hoogste prioriteit geniet, maar het uithoudingsvermogen.
Het rijden in de bergen vergt bijzondere aandacht.
De meeste toerfietsers doen alleen duurtrainingen. Enkele keren
per week rijden ze een wisselend lange afstand in een relatief
rustig tempo. We mogen ervan uitgaan dat fietsen in
groepsverband bijna altijd intensiever is en het karakter van
een tempotraining heeft. Indien de betreffende toerfietser
voldoende kilometers in de benen heeft en zich beperkt tot
relatief vlakke toertochten in Nederland is een trainingsschema
met tweemaal per week een rustige duurtraining en eenmaal per
week een tempotraining voldoende.
Een zware klimtoertocht van meer dan tweehonderd kilometer
vereist een specifiekere training. Het trainingsschema kan
bestaan uit twee perioden van circa tien weken en een directe
voorbereidingsperiode van twee weken. De training dient in cycli
van bijvoorbeeld vier weken te worden opgebouwd. Gedurende drie
weken is er een oplopende belasting, gevolgd door een relatieve
rustweek. In de volgende drie weken neemt de belasting toe,
vanwege een hoger uitgangsniveau.
In de eerste trainingsperiode ligt de nadruk op duurtraining,
drie- tot viermaal per week, teneinde voldoende basis te hebben.
In deze periode zal het totaal aantal kilometers per week tussen
170 en 220 tot 270 km liggen.
In de tweede periode wordt meer aandacht besteed aan de snelheid
en komt een accent op klimtraining te liggen. Een voorbeeld van
een snelheidstraining is een intervaltraining van vijf maal vijf
kilometer met een tussenpauze van vijf minuten. Een geliefde
klimtraining is het rijden van een (niet al te steile) helling
van tweehonderd tot vierhonderd meter met een relatief groot
verzet, met daarna een geringe herstelpauze. Na zes tot tien
herhalingen is dit aardig in de benen te voelen, maar het
resultaat is na een aantal weken duidelijk merkbaar. In een
weekschema van vier trainingen per week zou plaats zijn voor een
snelheidstraining, een klimtraining, een rustige duurtraining en
een lange toertocht in heuvelachtig terrein. Binnen een
trainingsweek volgt na een intensieve training een rustdag of de
rustige duurtraining. Het aantal trainingskilometers per week
loopt op tot 300 tot 400 km.
In de directe voorbereidingsperiode wordt door middel van een
aanzienlijke vermindering van de belasting en relatief veel rust
naar een vorm piek toe gewerkt.
Voeding en vocht
Het lichaam is voor het verkrijgen van energie aangewezen op
drie soorten brandstof: vetten, koolhydraten en eiwitten. Bij de
verbranding van deze stoffen komt energie vrij. Eiwitten spelen
hierbij de minst belangrijke rol. Pas als er geen andere
brandstoffen meer zijn, schakelt het lichaam over op
eiwitverbranding. Vetten worden verbrand bij langdurige rustige
inspanning. De voorraad vetten, opgeslagen in het lichaamsvet,
is groot genoeg. Naarmate de intensiteit van de inspanning
stijgt, dus naarmate de fietser sneller gaat rijden, de
tegenwind of het hellingspercentage toeneemt, neemt het belang
van koolhydraten (suikers) als energieleverancier toe. Per
tijdseenheid kan uit koolhydraten meer energie worden
vrijgemaakt dan uit vetten.
Bij toerfietsen worden - afhankelijk van de snelheid en de
zwaarte van het parcours - vijf- tot achthonderd kcal per uur
verbrand. Bij een arbeidsintensiteit van 60 tot 70 procent van
het maximale vermogen zal grofweg 50 procent geleverd worden
door vet en 50 procent door koolhydraten.
Gemiddeld bedraagt de lichaamsvoorraad koolhydraten 300 gram.
Dit komt overeen met 1200 kcal. Door middel van (specifieke)
training en een koolhydraatrijke voeding kan deze voorraad
worden vergroot. Na anderhalf uur in een redelijk tempo fietsen
zal hoe dan ook de bodem van de koolhydraatput in zicht komen,
waardoor deze energielevering in gevaar komt. Het lichaam zal
noodgedwongen overschakelen op vetverbranding. Het
prestatievermogen zal achteruitgaan. De uitdrukkingen 'de man
met de hamer tegenkomen' en 'pap in de benen krijgen' hebben
betrekking op deze situatie. Moet het lichaam volledig op
vetverbranding terugschakelen, dan zal het prestatievermogen
dalen tot slechts de helft van het maximale vermogen. Dit
betekent dat tijdens een toertocht, behalve bij korte
trainingsritten of bij zeer rustige inspanning, altijd gezorgd
moet worden voor voldoende energie.
Toerfietsen is eten! Optimaal is een gelijkmatig aanbod van
meervoudige koolhydraten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van
krentenbollen of bananen, dus gewoon vast voedsel. Het aanvullen
van de koolhydratenvoorraad in de vorm van een energiesportdrank
geniet meestal de voorkeur. Glucose (of druivensuiker) wordt
niet aanbevolen. Dit is een enkelvoudige suiker en zou niet voor
een gelijkmatig aanbod zorgen. Pure glucose vertraagt bovendien
de spijsvertering in de maag. Een klontje suiker of een tablet
druivensuiker kan in acute situaties, bijvoorbeeld wanneer 'de
man met de hamer' om de hoek komt kijken, nuttig zijn, maar
slechts voor even. Men zal toch weer op de hierboven beschreven
wijze de voorraad moeten aanvullen.
Voor de vertering van voedsel is bloedtoevoer naar het
maagdarmstelsel nodig, wat ten koste gaat van de bloedtoevoer
naar de spieren. Komt de voedselvertering door de
sportbeoefening in het gedrang, dan ontstaan buikklachten. Dit
probleem is te voorkomen door vloeibaar voedsel te nemen (mits
de juiste concentratie aangehouden wordt). Vloeibaar voedsel
passeert de maag tweemaal zo snel. Eten, maar ook drinken op de
fiets is sowieso iets wat geoefend moet worden.
Door zo snel mogelijk na een toertocht een koolhydraatrijke
maaltijd te gebruiken (of in eerste instantie vloeibare
koolhydraten) wordt het herstel aanzienlijk versneld. Dit is
vooral bij meerdaagse tochten van belang.
Minstens 75 procent van de door het lichaam geleverde energie
komt vrij als warmte. Deze warmte moet worden afgevoerd om te
voorkomen dat oververhitting optreedt. Tijdens het fietsen
zorgen wind koeling en transpiratie voor de warmteafgifte. Het
vochtverlies kan één tot twee liter per uur bedragen. Aanbevolen
wordt elk kwartier 200 ml te drinken. Dit kan gewoon water zijn,
maar de voorkeur wordt gegeven aan een toegevoegd smaakje (bijv.
50% verdund vruchtensap). Wacht niet tot dorst optreedt, want
dan ben je al te laat!
Het is belangrijk om te beseffen dat bij de zogenaamde
sportdranken onderscheid wordt gemaakt tussen energiedranken en
dorstlessers. Dit zijn oplossingen met verschillende
concentraties. Naarmate een koolhydraatoplossing
geconcentreerder is, zal de maag passage sneller verlopen. Een
goede energiedrank is aldus hypertoon, dat wil zeggen de
concentratie van de opgeloste stoffen is hoger dan het bloed.
Vocht zal in het algemeen sneller de maag passeren naarmate er
minder stoffen in zijn opgelost. Een klein beetje zout bevordert
de maagpassage van vocht. Dorstlessers zijn hypotoon (minder
geconcentreerd dan bloed) of isotoon (gelijk geconcentreerd).
Het verdient aanbeveling een energiedrank en een dorstlesser
apart te gebruiken. Zo is het ook aan te bevelen het gebruik aan
te passen aan de omstandigheden. Bij warm weer kan extra vocht
(in de vorm van een dorstlesser) worden genomen.
Ongevallen
Meestal treden bij een val slechts wat schaafwonden op, maar
soms is sprake van ernstige letsels. Het hoofd is daarbij het
meest aangedaan, inclusief hersenletsel. Helmdragers lopen
minder schedelfracturen op, en minder verwondingen in het
gezicht.
Oppervlakkige schaafwonden moeten allereerst met water en zeep
goed schoongemaakt worden. Men kan de schaafwond aan de open
lucht laten genezen, maar er zijn tegenwoordig speciale
wondpleisters. Indien een tetanusvaccinatie langer dan vijftien
jaar geleden is, moet een volledige hervaccinatie met meerdere
injecties plaatsvinden. Is de tussenliggende periode langer dan
vijf jaar, dan is een eenmalige injectie voldoende.
Sinds de introductie van de clipless-pedalen heeft een aantal
fietsers een heupfractuur opgelopen. Voor relatief jonge mensen
is een heupfractuur een zeldzaamheid. Het ongeval trad ten
gevolge van een gestoorde ontkoppeling op, vaak tijdens (bijna)
stilstand. Onvoldoende gewenning, waardoor men 'vergeet' om de
hak naar buiten te draaien, of een door vuil of slijtage
geblokkeerde ontkoppeling zijn de oorzaak van het ongeval. Het
is belangrijk om bij de aanschaf van clipless-pedalen in het
begin de ontkoppeling licht af te stellen en goed te oefenen, en
om de pedalen goed te onderhouden.
In een poging om een val te breken zal de hand uitgestoken
worden. Of de fietser valt direct met de bovenarm tegen de
grond. Het sleutelbeen is dan veelal de zwakste schakel in de
keten en zal breken. Een sleutelbeenbreuk is de meest
voorkomende breuk bij fietsers. Verreweg de meeste
sleutelbeenbreuken worden conservatief, met behulp van een
draagdoek, behandeld. Slechts zeer zelden treden later
complicaties op.
Het is in dit kader nog belangrijk om erop te wijzen dat een
ligstuur het zicht belemmert en het moeilijk maakt om snel te
reageren. Vooral bij het rijden in groepen is een ligstuur
gevaarlijk!
Blessures
Veel blessures ontstaan door een verkeerde afgestelde fiets.
Fietsen is bij uitstek een beweging binnen een gesloten keten,
dat wil zeggen dat de uiteinden van het lichaam niet vrij
beweeglijk zijn.
De voeten zijn verbonden aan de pedalen en de handen aan het
stuur. Daarnaast zit het bekken gefixeerd op het zadel. Een
ongunstige houding moet binnen deze keten gecompenseerd worden.
Daar waar compensatie niet meer succesvol is, ontstaan
blessures.
Rugklachten
Door de
specifieke houding op de fiets doen fietsers een groot beroep op
de rug. Toerfietsers zitten vaak urenlang met een gebogen rug,
zeker wanneer de handen onder in het stuur zijn geplaatst.
Een verkeerde afstelling van de fiets kan rugklachten
veroorzaken. Een te hoge zadelstand betekent dat de fietser de
heupen moet kantelen om de trappers te kunnen blijven volgen.
Dit betekent dat de lendenwervelkolom, daar waar eigenlijk
alleen buiging en strekking goed mogelijk zijn, onderhevig is
aan draaiende en zijwaartse bewegingen. Dit geeft snelle
vermoeidheid en pijn onder in de rug.
Een te korte zitlengte geeft een achterover kanteling van het
bekken en een vervlakking van de onderrug. Een te lange
zitlengte geeft klachten door het te veel doorzakken van de rug.
In het voorjaar komen rugklachten vaker voor, omdat de
trainingsintensiteit dan sterk toeneemt na een relatieve
rustperiode in de winter. De rugspieren zullen aan de specifieke
belasting moeten wennen. Door het stuur in het begin van het
seizoen hoger te plaatsen komt men meer rechtop te zitten,
waardoor de wervelkolom beter wordt belast. Hierdoor zullen de
klachten verminderen.
Rekoefeningen zijn bij fietsers niet erg populair. Een spier
oefent zijn werking uit door te verkorten. Zo kan het been
gestrekt worden doordat de spieren aan de voorzijde van het
bovenbeen samentrekken. Na sportbeoefening moeten de spieren
door rekoefeningen weer op lengte worden gebracht. Fietsers
hebben vaak verkorte spieren. In verband met rugklachten zijn
vooral de lange rugspieren, de spieren aan de achterzijde van
het bovenbeen (hamstrings) en de grote lendenspier, als
belangrijkste heupbuiger, van belang.
Vaak zijn bij fietsers de buikspieren slecht ontwikkeld,
waardoor ze onvoldoende steun aan de wervelkolom geven. Tevens
worden de buikspieren bij rugklachten reflexmatig ontzien.
Buikspieroefeningen zijn in het kader van rugklachten een
vereiste.
Nekklachten
De nek moet,
om vooruit te kunnen kijken, door de gebogen zitpositie steeds
naar achteren worden gehouden, zeker bij een korte zitlengte.
Nekklachten kunnen worden opgelost door het stuur wat hoger te
plaatsen en regelmatig met de handen van stuurpositie te
wisselen. Het beste is uiteraard om te proberen nekklachten te
voorkomen door een juiste afstelling van de fiets. Een ligstuur
verbetert de positie van de nek eveneens, maar kan in verband
met de veiligheid niet altijd gebruikt worden.
Knieklachten
Vage pijn rondom, achter of onder de knieschijf, welke
geleidelijk ontstaat, komt vaak voor. Het betreft een
overbelasting van het gehele streksysteem van de knie, waarin de
knieschijf als hefboom werkt, te weten de bovenbeenspieren aan
de voorzijde, de knieschijf en de aanhechting van de knieschijf
via een pees aan het onderbeen. De knieschijf glijdt bij
strekken en buigen van de knie door een groef in het dijbeen.
Wanneer dit niet soepel gebeurt, treedt drukverhoging c.q.
wrijving en vervolgens pijn op. Soms worden de klachten door
tractie aan het knieschijfkapsel veroorzaakt.
Bij fietsers kan er een draaicomponent aan ten grondslag liggen,
waarbij onderen bovenbeen niet goed in elkaars verlengde liggen.
Bijvoorbeeld indien clipless-pedalen verkeerd zijn gemonteerd en
onvoldoende beweging toelaten. Het bekken is gefixeerd op het
zadel. Staat de voet te ver naar binnen of naar buiten gedraaid,
dan moet dit in de knie worden gecompenseerd. Clipless-pedalen
worden vaak automatisch haaks op de schoen gemonteerd. De as
door de knie bij buigen en strekken is echter de juiste as. Kijk
naar de stand van de voeten en stel het plaatje overeenkomstig
af. Dit hoeft niet te betekenen dat het plaatje links en rechts
gelijkstaat.
Een te lage zadelstand betekent dat de knie bij elke pedaalslag
verder moet buigen waardoor de druk achter de knieschijf hoger
wordt. Een te hoog verzet, waardoor er te veel op kracht gereden
wordt, maar ook veel in de bergen rijden kunnen oorzaken van de
klachten zijn. Het is duidelijk dat een verkeerde
trainingsopbouw tot overbelasting leidt. Rustig in- en
uitfietsen zijn belangrijk.
Pezen, ook de knieschijfpees, zijn slecht doorbloed. Koude doet
de bloedvaten vernauwen waardoor een nog verdere afname van de
bloedvoorziening ontstaat. Vooral in voor- en najaar, bij regen,
kan afkoeling een wezenlijke rol spelen bij het ontstaan van
knieklachten.
Overbelasting van de zogenaamde tractus iliotibialis, een
peesplaat aan de buitenzijde van het bovenbeen, is vooral een
bekende hardlopersblessure. Het valt echter op dat sinds de
invoering van de clipless-pedalen steeds meer fietsers
soortgelijke klachten krijgen. Het betreft pijn aan de
buitenzijde van de knie tijdens het fietsen. De
betreffende.peesplaat beweegt zich bij buigen en strekken van de
knie over een (normale) uitstulping van het bovenbeen bot. In
bepaalde situaties geeft dit wrijving (frictie) en daardoor
irritatie. Een verkeerde afstelling van de schoenplaatjes (met
de hak te ver naar buiten) speelt een belangrijke rol bij het
ontstaan van de klachten.
Bij beschadigingen in het kniegewricht (meniscus, banden,
kraakbeen) wordt automatisch het betreffende been ontzien. De
bovenbeenspieren worden zwakker. Training van de
bovenbeenspieren speelt dan ook een cruciale rol in de
behandeling van veel knieletsels. Bij bijvoorbeeld een scheur
van de voorste kruisband moet worden geprobeerd de spieren
zodanig te versterken dat ze instabiliteitsklachten kunnen
voorkomen.
Fietsen is dan een optimale trainingsmethode. Ook wanneer andere
takken van sport niet meer mogelijk zijn, bijvoorbeeld bij
vroegtijdige slijtage van het gewrichtskraakbeen, wordt vaak
geadviseerd te gaan fietsen.
Zitpijn
In de
sportmedische praktijk wordt een belangrijk verband gelegd
tussen de afstelling van de fiets en het voorkomen van zitpijn.
Een te hoge zadelstand leidt tot zijwaartse kantelingen van het
bekken en dientengevolge schuiven over het zadel. Trouwens, een
beenlengteverschil heeft hetzelfde effect. De zadelpunt mag niet
te veel omhoog gericht zijn om overmatige druk op de
schaamstreek te vermijden. Bij vrouwen kan de zadelpunt wat
omlaag staan. Een te grote afstand tussen zadel en stuur of een
te laag stuur hebben een identiek effect als een omhoog gerichte
zadelpunt.
Beginnende fietsers hebben vaak last van pijnlijke
zitbeenknobbels. Naarmate men vaker fietst, nemen de klachten
veelal zonder specifieke maatregelen af. Dit is de enige
indicatie voor een zacht zadel. Zelden raakt de slijmbeurs over
de zitbeenknobbels ontstoken, waardoor blijvende klachten
ontstaan.
Gebruik een goede fietsbroek en spoel deze na elke rit uit. Het
is niet verstandig om huidcrèmes of talkpoeder te gebruiken,
omdat hierdoor de wrijving tussen huid en fietsbroek wordt
bevorderd. De ontstekingsremmende werking van sommige crèmes kan
hier niet tegenop.
Door de combinatie van transpiratie en irritatie kunnen
steenpuisten ontstaan. Dit is een zeer pijnlijke aangelegenheid!
In milde gevallen volstaan hygiënische maatregelen met zitbaden
of warme compressen. In verder gevorderde stadia is het
chirurgisch openmaken en draineren van de steenpuist
noodzakelijk. Daarnaast worden antibiotica gegeven.
Bij diffuse ontstekingen van de haarzakjes (folliculitis) zijn
hygiënische maatregelen het allerbelangrijkste. Soms kunnen
indrogende en ontstekingsremmende zalven worden gegeven. Bij
uitgebreide problemen zijn antibiotica geïndiceerd.
Het schuren van de binnenzijde van het dijbeen tegen het zadel
kan irritatie van de huid tot gevolg hebben. Dit uit zich in
roodheid en een brandend gevoel tot echte huidbeschadiging toe.
De huid schoon en droog houden is de belangrijkste remedie.
Een ontsteking van de plasbuis (urethritis) komt niet vaak voor.
Urineren gaat dan gepaard met een brandend gevoel.
Ook deze aandoening ontstaat door directe druk. Vooral bij
vrouwen ligt een blaasontsteking op de loer als de blaas niet
voldoende geledigd wordt. Als de plasbuis zodanig geïrriteerd
raakt dat een bloeding optreedt, wordt ook bloed in de urine
aangetroffen.
Ook de prostaat, een klier die bij mannen om de plasbuis gelegen
is, kan ontstoken raken. Dit gaat gepaard met frequente
aandrang, een verminderde straal en nadruppelen. Het is van
belang, vooral op oudere leeftijd, om een onderscheid te maken
met een normale prostaatvergroting. Bij een ontsteking van de
plasbuis of de prostaat is een zadel met een middengleuf aan te
bevelen.
Er zijn berichten dat fietsen bij jonge mannen kan leiden tot
een zogenaamde, torsie (een draaiing) van de testikels. Er wordt
een verband gelegd met smalle zadels en koude
omgevingstemperaturen.
De n. pudendus loopt over het schaambeen. Als deze zenuw tegen
het zadel gedrukt wordt en daardoor onvoldoende van bloed wordt
voorzien, treedt een slapend gevoel in de penis op. In ernstige
gevallen kan impotentie optreden. Er zijn gevallen beschreven
waarbij de impotentie acht maanden aanhield. Druk op de n.
genitofemoralis veroorzaakt gevoelloosheid van het scrotum.
Fietsershand
De
fietserhand betreft een compressie van de n. ulnaris ter hoogte
van de pols door de specifieke stand van de handen bij fietsen.
Dit veroorzaakt een dof gevoel en tintelingen in de pink en aan
de pinkzijde van de ringvinger. Daarnaast is sprake van
krachtvermindering en vaak een lichte klauwstand. De precieze
plaats van compressie bepaalt welke spieren zijn aangedaan. Het
teken van Froment is positief als de m. adductor pollicis
getroffen wordt en het niet mogelijk is om een blad papier
tussen duim en wijsvinger te klemmen. De fietsershand gaat bij
correctie van de onderliggende factoren vanzelf over. Het dragen
van handschoenen, een goed stuurlint, regelmatig van grip
wisselen zijn goede adviezen. Soms spelen een te korte
zitlengte, te harde bandenspanning, oneffen terrein en zeer
lange ritten een rol.
Minder frequent wordt een gevoelloosheid in de eerste drie
vingers aan de duimzijde beschreven. Het betreft een afknelling
van de n. medianus ter plaatse van de zogenaamde carpaaltunnel
doordat de hand te lang in achterovergebogen positie gehouden
wordt.
Voetklachten
Schoenplaatjes moeten zodanig gemonteerd worden dat de bal van
de voet zich recht boven de pedaalas bevindt. Bij een doorgezakt
dwarsgewelf van de voet kan dit echter klachten in de voorvoet
geven. De remedie bestaat uit steunzolen met voldoende steun
achter de kopjes van de middenvoetsbeentjes.
Indien dit onvoldoende verbetering geeft, is het raadzaam om de
schoenplaatjes iets naar achteren te verplaatsen. De
fietsbeweging wordt hierdoor wel minder efficiënt. |
  



|